Kennis

Wat is een normale winstmarge in de technische maakindustrie?

Het sectorgemiddelde is 12 procent. Bijna geen enkel bedrijf zit daar echt op. Wat de spreiding laat zien en waarom je omvang er nauwelijks toe doet.

21 september 2026·4 min lezenConsultancy

Het antwoord waar je niets aan hebt

Wie wil weten of zijn bedrijf goed draait, zoekt een getal om zich aan te spiegelen. Dat getal is er ook. De Metalektro, dus de metaal-, machine- en elektrotechnische industrie bij elkaar, draaide in 2024 een resultaat voor belastingen van 12,2 procent van de omzet. Voor de industrie als geheel was dat 9,6 procent.

Daar kun je weinig mee. Niet omdat het cijfer onjuist is, maar omdat het een optelsom is. Het is de totale winst van alle bedrijven gedeeld door hun totale omzet. In zo'n som wegen een paar grote spelers zwaar mee en verdwijnt de rest in het gemiddelde.

Hoe weinig dat gemiddelde zegt, zie je al zodra je een laag dieper kijkt.

Dezelfde sector, tegengestelde cijfers

Resultaat voor belastingen als percentage van de omzet, 2024:

Branche Marge
Machine-industrie 20,2%
Algemene metaalbewerking 18,7%
Metaalproducten 10,3%
Elektrotechniek 10,8%
Auto- en aanhangwagenindustrie 4,8%
Overige transportmiddelen 2,0%
Basismetaal -1,8%

Van min twee tot plus twintig procent, allemaal binnen wat in het spraakgebruik "de maakindustrie" heet. De basismetaal draaide in vier van de laatste zes jaren verlies. De machinebouw zat al die jaren boven de 13 procent.

Als iemand je vertelt wat een normale marge is in de techniek, vraag dan eerst welke techniek hij bedoelt.

De verdeling die niemand laat zien

Ook dat branchecijfer is nog steeds een optelsom. De vraag die ertoe doet is een andere: van alle bedrijven in mijn branche en mijn grootteklasse, waar sta ik in de rij?

Het CBS heeft dat ooit uitgerekend. Niet de opgetelde winst van een sector, maar de verdeling over individuele bedrijven: hoeveel procent van de bedrijven draait verlies, hoeveel zit ertussenin, hoeveel zit aan de top. Gemeten als rendement op het eigen vermogen, dus de winst afgezet tegen wat de eigenaren erin hebben zitten. Dat is een andere grootheid dan de marges hierboven en je moet ze niet door elkaar halen, maar voor deze vraag is het de bruikbaarste.

Voor de technische maakindustrie ziet die verdeling er zo uit:

Bedrijfsomvang Onderste kwart Midden Bovenste kwart Verliesgevend
10 tot 50 medewerkers 3,3% 19,4% boven 30% 19,8%
50 tot 100 medewerkers 5,2% 19,5% boven 30% 17,3%
100 tot 250 medewerkers 2,3% 17,5% boven 30% 20,9%
250 of meer medewerkers 0,9% 13,2% 27,4% 23,2%

Lees die tabel twee keer, want er staan twee verschillende dingen in.

Van boven naar beneden gebeurt er bijna niets. Het middelste bedrijf in de klasse van 50 tot 100 medewerkers haalt 19,5 procent. In de klasse daarboven 17,5 procent. Bij de grootste bedrijven 13,2 procent. Ruim zes procentpunt verschil tussen de uiterste klassen, en het loopt niet eens netjes op of af.

Van links naar rechts gebeurt alles. Binnen elke klasse zit het onderste kwart rond de nul en het bovenste kwart boven de 30 procent. Dat is een verschil van minstens dertig procentpunt tussen buren: zelfde branche, zelfde omvang, zelfde markt, zelfde grondstofprijzen, zelfde krapte op de arbeidsmarkt.

De spreiding binnen een grootteklasse is dus grofweg vijf keer zo groot als het verschil tussen de grootteklassen. In elke klasse tot 250 medewerkers draait ongeveer een op de vijf bedrijven verlies terwijl ongeveer een op de drie boven de 30 procent zit. Bij de bedrijven met meer dan 250 medewerkers loopt die bovenkant terug naar een op de vijf: de echt grote uitschieters zitten in het middenbedrijf, niet aan de top.

Hoe hard is dit?

Eerlijk over de bron: deze reeks van het CBS loopt tot en met 2013 en is daarna gestopt. Er is geen opvolger. Actuele cijfers over de verdeling per bedrijfsgrootte bestaan niet openbaar, alleen sectortotalen.

Dat betekent dat je de niveaus uit die tabel niet als cijfers van vandaag moet lezen. De conjunctuur verschuift het hele veld. In de goede jaren 2006 tot 2008 lag het middelste bedrijf rond de 28 procent en was 8 tot 20 procent verliesgevend. Na 2009 zakte dat naar 13 tot 16 procent, met 20 tot 30 procent verliesgevers.

Maar in élk van die acht jaren, hoogconjunctuur en crisis, gold hetzelfde: binnen elke grootteklasse zaten tegelijk verliesgevende bedrijven en bedrijven boven de 30 procent. De spreiding is geen crisisverschijnsel. Het is de normale toestand. Dat maakt het patroon bruikbaar, ook al zijn de niveaus gedateerd.

Wat je hier maandag mee kunt

Leg je eigen cijfer niet naast het gemiddelde, maar naast de verdeling.

Pak je rendement op eigen vermogen van vorig jaar: winst na belasting gedeeld door het eigen vermogen op de balans. Zoek dan in de tabel hierboven je eigen grootteklasse op en stel jezelf één vraag: zit ik in het onderste kwart, in het midden, of in het bovenste kwart?

Dat is een ongemakkelijker vraag dan "haal ik het sectorgemiddelde", en een nuttigere. Want als je op 8 procent zit terwijl een derde van je directe concurrenten boven de 30 procent draait, is de markt niet je probleem. Die is voor jullie allebei gelijk.

Wat er overblijft, zit in de uitvoering. Inkoop, prijsstelling, bezetting, uitval, doorlooptijd, en de vraag of je de mensen binnenkrijgt die je nodig hebt. Welke van die knoppen bij jou het zwaarst weegt, vertelt geen enkele statistiek. Dat zie je pas als je je eigen cijfers uit elkaar trekt.


Bronnen: CBS StatLine 81156NED (resultaat voor belastingen per branche, 2019-2024), CBS StatLine 81377ned (verdeling rentabiliteit per branche en bedrijfsomvang, 2006-2013) en Eurostat Structural Business Statistics (sbs_sc_ovw, Nederland, 2024). Stand van zaken: september 2026.

Delen
LinkedInWhatsAppMail
Over de auteur

Rob Horneman

Veertig jaar in arbeidsbemiddeling, oprichter van CANEI. Schrijft over werving die wel werkt, en over waarom de meeste werving dat niet doet.

Verder lezen